Bijna elk stadje of dorp in Rusland heeft inmiddels een kerkhof voor Russische soldaten die zijn omgekomen tijdens de zogeheten ‘speciale militaire operatie’ tegen Oekraïne. Wie er begraven liggen, weten vaak alleen de nabestaanden. Voor de meeste Russen gaat het leven door, zeker als ze wonen in het geprivilegieerde Moskou. Voor de oorlogsslachtoffers en hun naasten gaat het leven niet door. De Russische fotograaf Firsan Iljinich* trekt deze winter door de Russische provincie om te kijken en te luisteren naar de verhalen van de landgenoten die hem op zijn pad komen. Tijdens zijn reis houdt hij een dagboek bij.
Moskou is geen stad en zelfs geen ‘staat binnen de Russische staat’. Moskou is een kiot, het orthodoxe passepartout waarin iconen hangen. Moskou is ook een grote glazen kast waarin verschillende objecten, hoge functies en bijzondere persoonlijkheden worden geëtaleerd.
Wie op reis gaat in Rusland kan de kiot Moskou niet of nauwelijks omzeilen. Ook ik ontkom niet aan de stad op mijn eerste dag, als ik vanaf een van de treinstations mijn weg naar het Oosten wil zoeken.
Moskou heeft een metrolijn met een lengte van 470 kilometer. In de rest van Rusland zijn alle metro’s bij elkaar opgeteld slechts 200 kilometer lang. Moskou en het omliggende district vormen 0,3% van het grondgebied van heel Rusland, maar daar woont wel 18% van de bevolking. De stedelijke begroting van Moskou in 2026 komt omgerekend neer op 482.500 roebel per inwoner. In Jaroslavl is het stadsbudget 52.400 roebel per inwoner.
‘Prachtige wrede verte’
In een ondergrondse passage van de metro in Moskou speelt een jonge man gitaar en zingt klaaglijk:
'Prachtige verte, wees niet wreed voor mij, wees niet…'
Metroreizigers lopen om hem heen, hoewel hij recht op hun pad zit te spelen. Ik blijf staan en begin een foto van hem te maken. Hij zingt het lied uit en vraagt:
'Filmt u voor een video? Zal ik een eigen lied voor u zingen?'
'Nee, het is een foto', zeg ik.
'Dan zing ik toch mijn eigen lied voor u!'
Het is een lied over oorlog: over een soldaat in een modderige loopgraaf die naar huis wil, maar voor wie dat voor altijd een droom blijft.
Ik leg 500 roebel [bijna 5 euro – vertaler] in zijn gitaarkoffer en zeg: 'Dank je.'
Met de metro rijd ik verder naar het station. Ik ben op weg naar Jaroslavl, een provinciestad aan de Volga. Ik heb een kaartje voor een zogeheten ‘platskart-wagon’ [treinwagons met niet afgesloten slaapbanken boven en naast elkaar - vertaler]. Mijn platskart is een onderste bed aan de zijkant. Je kunt bij de wagondame beddengoed kopen. Je kunt ook gewoon op de bank gaan liggen. Als je 1 meter 83 bent en je benen uitstrekt, steken ze wel tot in het gangpad uit. Andere passagiers kunnen er dus over struikelen. Je schrikt daarom steeds wakker, krult instinctief op, en valt soms weer in slaap.
In Rusland moet je klein van stuk zijn om comfortabel in een platskart-wagon te kunnen reizen. Ook om oorlog te voeren moet je klein zijn. Alle manschappen van tanks zijn klein van stuk, alleen hun tanks zijn groot. Tankbemanningen sterven het minst, in tegenstelling tot gemotoriseerde infanteristen met lange benen.
De BBC stelde vast: tijdens de zogenaamde ‘Speciale Militaire Operatie’ in Oekraïne kwamen 1613 ‘tankers’ om tegen 14.549 gemotoriseerde infanteristen.
‘Had u mij geholpen als u had geweten dat ik Oekraïense ben?’
'Heeft u internet op uw telefoon?', vraagt een vrouw van rond de zeventig mij in de platskart-wagon.
'Soms wel.'
'Kunt u een bericht naar mijn dochter in Kiev sturen?', fluistert ze. 'Mijn telefoon werkt niet, ik ben net de grens over en ze hebben mij geblokkeerd. Ze zeggen dat er een nieuwe wet is tegen drones. Telefoons werken niet meer.'
'Wat moet ik doorgeven?'
'Dat ik in de trein zit en dat alles goed is. Vanuit Moskou ga ik meteen naar Marioepol.'
'Waar komt u vandaan?'
'Ik reis al een maand. Wij komen uit Marioepol, zijn Oekraïners. De kinderen vertrokken lang geleden naar Kiev om te studeren. Wij bleven achter in Marioepol. Ik ben net bij mijn dochter in Kiev geweest. Eerst met de trein naar Moskou, dan naar Minsk, via Minsk met de bus naar Warschau en dan van Warschau naar Kiev. En nu weer terug langs dezelfde route. Mijn man zit daar thuis alleen. Hij wacht. Hij klaagt dat niemand borsjtsj zo kan koken als ik. Vroeger zei hij dat nooit.…'
'Dus u heeft twee paspoorten?'
'Ja. Een Oekraïens en sinds kort ook een Russisch paspoort. Ik ben meteen naar mijn dochter gegaan…'
'Weet u dat berichten sturen naar Oekraïne vanuit Rusland gevaarlijk is? Je kunt in de gevangenis belanden', zeg ik half schertsend.
'Ja, dat weet ik. Maar ik vroeg het aan u omdat u mij op het perron de trein in hebt geholpen en mijn zware koffer hebt gedragen. U wist niet dat ik Oekraïense was. Had u me ook geholpen als u het wél had geweten?'
'Ja. Natuurlijk', lach ik.
‘Verdomde honden, geef me een goede sigaret’
Rusland. Niets bijzonders. Loop rond. Luister. Kijk. Dat is geen journalistiek. Het bezorgt je niet het etiket ‘buitenlands agent’. Iedereen kan het.
Vroeg in de ochtend, bij de ingang van het spoorwegstation van Jaroslavl, loopt een dronken man van rond de veertig in camouflagekleding wankelend op voorbijgangers af. Hij brengt met militaire precisie een saluut en eist vervolgens: 'Geef me een goede sigaret. Ik heb voor jullie mijn bloed vergoten!'
Voorbijgangers wijken uit of doen alsof ze hem niet zien. Sommigen geven hem een sigaret. Hij kijkt er aandachtig naar, draait hem eerst om, breekt de sigaret dan doormidden, gooit hem omhoog en gaat daarna weer naar een volgende passant: 'Geef me een goede sigaret – ik heb voor jullie mijn bloed vergoten!'
Uiteindelijk wordt hij het zat. Hij gaat voor de bus staan, waar hij zojuist uit was gestapt, heft zijn armen in de lucht en schreeuwt: 'Godverdomde honden, geef me een goede sigaret! Ik heb voor jullie mijn bloed vergoten in de oorlog!' Daarna zakt hij door zijn knieën, buigt zijn hoofd naar het asfalt en begint luid te huilen.
De bus rijdt verder. De passagiers zwijgen.
‘Geen grappen, dit is een begraafplaats’
Niet ver van het station van Jaroslavl ligt het kerkhof. Op de grafstenen staan teksten als 'geliefd', 'dierbaar', 'edel', 'heldhaftig'. Temidden van al deze goede mensen, vraag je je af: waar liggen hier de slechte mensen?
Men zegt dat je aan kruisen, stenen en epitafen de aard van een natie kunt herkennen, zowel de edelmoedigheid als de onwetendheid van een natie.
Ik dwaal lang rond op de begraafplaats, zo lang dat een bewaker achterdochtig wordt en me begint te volgen. Uiteindelijk spreekt hij me aan.
'Zoekt u iemand?'
'Als ik al iemand zoek, dan vooral mezelf', antwoord ik brutaal.
'Geen grappen. Dit is een kerkhof.'
'Het is ironie, geen grap. Neem me niet kwalijk.'
'Was u bij de Speciale Militaire Operatie?' [SMO is de officiële term in Rusland voor de oorlog tegen Oekraïne – vertaler]
'Nee, maar wel bij andere oorlogen. Alle oorlogen lijken op elkaar: soldaten, vluchtelingen, doden. Zelfs de geur van oorlog is vergelijkbaar: niet van het doden, maar van de doden.'
'Hier hebben we niet één, maar wel drie kerkhoven. SMO nummer 1 – vanaf het begin in het eerste jaar. De kruisen zijn al weg, er liggen nu platte stenen. SMO nummer 2 –de kruisen zijn ook weggehaald, net als de kransen. De graven zijn eveneens geëgaliseerd, binnenkort komen de stenen. Zie je die migranten daar werken? En SMO nummer 3 – dat zijn de verse graven van dit jaar.'
'Veel graven?'
'Ik heb ze niet exact geteld. Ik schat ongeveer 420. Alleen doden uit de stad. In de dorpen begraven ze hun eigen doden.'
'En dit wordt allemaal tot één begraafplaats samengevoegd?'
'Ja, maar pas in 2027.'
'Ook één geheel met de doden uit Afghanistan en Tsjetsjenië?'
'Ja. Het wordt één militair kerkhof. Dat is het plan.'
Afghanistan (1979-1989): ca. 15.000 gesneuvelden (officieel). Tsjetsjenië (1994-1996 en 1999-2002): meer dan 11.000 doden (officieel). SMO in Oekraïne (2022-2025): 255.000 tot 361.600 gesneuvelden (telling BBC). Hiervan zijn intussen 152.142 Russische militairen met naam en toenaam geïdentificeerd.
Tot mijn verbazing wandelen we samen verder over het kerkhof. Hij heeft zijn missie: bewaken. Ik de mijne: luisteren en kijken.
‘Gewond naar het ziekenhuis en daarna meteen naar de stormtroepen aan het front’
Ineens begrijp ik waarom er één kerkhof voor iedereen moet komen. Straks in 2027 hoeven we niet meer te weten dat elke regering in Rusland haar eigen kerkhof heeft: Afghanistan, Tsjetsjenië, nu de SMO. We mogen van de machthebbers slechts één ‘kerkhof vol helden’ onthouden.
Uit onderzoek blijkt dat 67% van de gesneuvelde Russische militairen uit dorpen en kleine steden met minder dan 100.000 inwoners komt, hoewel deze gebieden nog niet eens de helft van de totale Russische bevolking vormen. Hoe meer subsidie een dorp of stadje vanuit Moskou krijgt, des te hoger doorgaans de verliezen.
Een vrouw van veertig legt bloemen, bij een plek waar grondwerkers [merendeels ‘gastarbeiders’ uit verder gelegen regio’s of zelfs andere landen – vertaler] de graven al hebben geëgaliseerd en ook de kruisen hebben weggehaald. Ze rookt en huilt.
'Daar ligt iemand van haar?'
'Ja, haar zoon. Hij is amper 18 geworden: gesneuveld in het begin. Ze komt bijna elke dag. Jarenlang huilt ze al. De grafheuvel en het kruis zijn niet meer te zien, maar ze kent de plek nog.'
'En die twee jongens die me eerder op het kerkhof aanspraken?'
'Die zag ik voor het eerst. Ze kwamen voor een vriend met wie ze op school hebben gezeten. Alexander heette hij. Hij zat bij de genie. Gewond geraakt door granaatscherven in de rug. Naar het hospitaal. Vandaar moest hij weer naar het front, meteen naar de "stormeenheden".'
De bewaker maakt het verhaal niet af. Hij wordt gebeld en loopt verder zonder afscheid te nemen.
Het wordt snel donker. Ik ga ook weg. In een winkel koop ik kaas, brood, sigaretten en een fles rode wijn. Bij de kassa zeg ik: 'Sorry, dit is mijn avondeten.' De caissière glimlacht: 'U dineert als een kunstenaar! Daarom geef ik u korting.' Heeft ze liever kunstenaars dan soldaten in de winkel? Ik vraag het niet. Ik eet en drink alles op in mijn hotelkamer.
Eén militair heiligdom zodat de macht geen rekenschap hoeft af leggen
Een kerkhof is geen hotel, maar een huis van herinnering.
Iedere machthebber wil zijn eigen domein van de dood creëren, zijn eigen ‘helden’ scheppen, en de ongewenste sporen van eerdere tijdperken wissen. De recente geschiedenis van Rusland volgt dan ook een stille maar duidelijke logica: elke regering heeft haar eigen oorlogskerkhof.
Afghanistan is het kerkhof van de late Sovjet-Unie. Tsjetsjenië het kerkhof van de overgangstijd met Jeltsin in Rusland. SMO het kerkhof van de huidige macht.
Deze necropolissen zijn ideologisch niet verbonden, maar ze delen wel één waarheid. De staat heeft afgelopen halve eeuw levens verslonden en probeert daarom alle begraafplaatsen samen te voegen tot één ‘militair heiligdom’, zodat de verschillen verdwijnen. Dat ene grote militair kerkhof is een vorm van geheugenpolitiek. Door alle doden te samen te voegen, probeert de regering hun betekenis te verenigen. Alle gesneuvelden moeten worden voorgesteld als voortzetting van één heroïsche traditie. De redenen voor elke oorlog apart verdwijnen zo. En daarmee ook de verantwoordelijkheid van de verschillende machthebbers.
Wie niet kijkt naar de opschriften en gedenkstenen, ziet dat elk kerkhof de staatsmacht in zijn ultieme vorm uitstraalt: in de hoeveelheid graven, in de leeftijden van de doden, in de snelheid waarmee nieuwe grafrijen verschijnen.
Ook in Jaroslavl. Een moeder die elke dag naar de plek van het inmiddels verdwenen graf van haar zoon loopt. Schoolvrienden die als trojka drinken op het graf van een van de drie. Een vrouw die maanden reist omdat iemand, ergens aan de andere zijde van het front, op haar wacht. De macht kan dan wel kruisen weghalen, grond egaliseren, gedenkstenen standaardiseren, maar ze kan deze menselijke verliezen niet uitwissen.
Elke tijd heeft haar eigen logica van de dood. Elke macht heeft haar eigen doden. Zolang het land zijn geschiedenis niet bouwt op het overdenken van oude rampen doch slechts op het absorberen van die rampen, zal elk nieuw kerkhof slechts een toevoeging zijn aan het vorige. Zonder dat er lessen uit worden getrokken.
Firsan Iljinich – Rusland, december 2025
Help ons om RAAM voort te zetten
Met uw giften kunnen wij auteurs betalen, onderzoek doen en kennisplatform RAAM verder uitbouwen tot hét centrum van expertise in Nederland over Rusland, Oekraïne en Belarus.
*Om veiligheidsredenen kan de fotograaf zijn dagboek niet onder zijn echte naam publiceren. De redactie van RAAM weet wie Firsan Iljinich is en staat in voor de authenticiteit van de auteur. Op alle foto's in dit artikel berust het auteursrecht van de fotograaf.
